De eenzame stervende…….
De ambulance stopt voor de deur van het hospice. Binnen ligt een man op leeftijd, stil, niet aanspreekbaar.
Alleen komt hij aan. En alles in mij wist: hij zal hier ook alleen sterven.
De opname stond al gepland. Toch bleef die ene vraag steeds hangen: zou hij de overplaatsing vanuit het ziekenhuis nog halen? Vandaag kwam het antwoord. Hij is er. Maar niet meer zoals iemand “er” hoort te zijn.
Hij bevindt zich al in de stervensfase. Niet aanspreekbaar. Geen woorden, geen reactie. Alleen zijn ogen bewegen nog. En wat daarin te zien is, laat zich niet negeren—angst, onrust, een stille zoektocht naar houvast.
Het is hartverscheurend om te zien.
Een man op leeftijd, zonder familie of naasten, volledig overgeleverd aan de zorg van mensen die hij niet kent. Geen vertrouwde stem. Geen hand die vanzelfsprekend de zijne vastpakt. Alleen de aanwezigheid van zorgverleners die proberen te geven wat er nog gegeven kan worden.
En toch… was er nog een moment van afscheid.
Onderweg hierheen, in de ambulance, is er gestopt bij het verpleeghuis. Daar ligt zijn vrouw. Ernstig ziek. Tot vorige week waren ze samen. Ze leefden samen, zorgden voor elkaar. Een gedeeld leven, abrupt uiteengerukt in deze laatste fase. Daar, in die korte tussenstop, hebben ze afscheid moeten nemen.
Misschien heeft hij het nog beseft maar misschien ook niet. Het moment was er.
Alleen sterven: een harde realiteit.
Nu ligt hij hier.
Zijn ademhaling is zwaar, hoorbaar, elke ademteug kost kracht. De tijd lijkt zich uit te rekken—niemand weet hoe lang dit nog zal duren. Minuten, uren, misschien een dag.
In het hospice doen we wat we kunnen.
Comfort is waar we naar streven. Met aandacht. Met zachtheid.Met liefdevolle zorg.
We praten tegen hem, ook al weten we niet of hij ons hoort. Houden zijn hand vast. We waken. We zijn er.
Kleine gebaren, in de hoop dat ze toch ergens landen.
Want dat is misschien wel het meest schrijnende: dat iemand letterlijk alleen sterft. Zonder naasten, zonder een vertrouwd gezicht aan het bed. Alleen met zijn ademhaling, zijn onrust, en het langzaam loslaten van het leven.
En toch willen we geloven dat niemand écht alleen hoeft te zijn in dat laatste stuk.
Dat aanwezigheid, hoe stil ook, betekenis heeft. Dat zorg meer is dan handelingen. Dat er, ondanks alles, iets van gedragen worden voelbaar is.
Ik hoop dat hij rust zal vinden.
Dat de onrust in zijn ogen plaatsmaakt voor zachtheid.Dat hij, op een manier die wij niet kunnen zien of begrijpen, voelt dat er mensen bij hem zijn.
Dat hij niet helemaal alleen is. Dat hopen we


